Ze deed elke week hetzelfde. Totdat de bakker haar op een dag iets bijzonders vertelde

van ongeveer zestig jaar, met grijs haar dat ze meestal onder een eenvoudige muts droeg. Ze heette Marianne en woonde volgens de buurtbewoners al heel lang in het dorp.

Iedere vrijdag, iets na negen uur, opende ze de deur van de bakkerij.

Ze glimlachte beleefd, groette de bakker en bestelde steevast hetzelfde.

‘Goedemorgen. Mag ik alstublieft één klein volkorenbroodje en twee krentenbollen?’

Daarna betaalde ze, bedankte hem en vertrok.

In het begin vond meneer Van Dijk er niets bijzonders aan. Veel mensen hadden nu eenmaal vaste gewoonten.

Maar na enkele