Ik weet het, Michael.
Hij zei: Ik wilde haar gewoon mee naar huis nemen.
Hij zei: Ik gewoon.
Hij zei: Ik zag haar en ik dacht…
Hij zei: Ik heb aan je gedacht.
Hij zei: over de lade.
Ik zei: welke lade?
Hij zei: die je niet openmaakt.
Hij zei: Ik weet van die lade, Ellen.
Hij zei: vijfentwintig jaar.
Hij zei: Ik weet het.
Ik keek hem aan.
Hij zei: Ik dacht dat zij wel eens de oplossing voor het ladeprobleem zou kunnen zijn.
Hij zei: en toen gebeurde