me.
Niet omdat ik twijfelde.
Maar omdat ik niet begreep waarom mijn geluk zo moeilijk te accepteren was.
Ik vond het prachtig wanneer mijn zus over haar kinderen vertelde.
Ik ging graag naar verjaardagen.
Ik paste soms op.
Ik hield van mijn nichtjes en neefjes.
Maar wanneer ik ‘s avonds naar mijn eigen huis terugkeerde, voelde ik rust.
Geen leegte.
Geen verdriet.
Roest.
De vrijheid waar ik van hield
Thomas en ik werkten hard.
We betaalden onze rekeningen.
We spaarden.
We maakten plannen.
Onze eerste grote reis ging naar Italië.