vervolgens naar de foto van Elena.
De vrouw op de foto had zacht, donker haar tot op haar schouders, hoge jukbeenderen en een kalme uitdrukking. Ze zag er echter niet gelukkig uit.
Maja zag de gelijkenis. De neus, de vorm van de kin, de ogen.
Het was bijna alsof ze naar een andere versie van zichzelf keek – een vrouw die nooit in een opvanghuis had hoeven slapen, naar voedsel had hoeven zoeken of had hoeven leren snel te lopen zonder vreemden in de ogen te kijken.
‘Als ik in deze